Na het leven komt...

De kleine Bijbelkring werd plotseling opgeschrikt door het overlijden van de heer Jorna. Een hartinfarct had plotseling een einde aan zijn leven gemaakt. Het was op een maandagmorgen, terwijl hij als gewoonlijk in zijn studeerkamer zat en bezig was de Bijbel te lezen, toen hij zich onwel voelde worden.

Een stekende pijn in zijn borst benam hem het ademen, zodat een dokter geroepen werd. Deze kon helaas niet onmiddellijk komen. En toen hij na een half uur verscheen, was de toestand zo erg geworden, dat hulp niet meer mogelijk was. De arts diende de patiënt nog wel een injectie toe, maar het mocht niet baten. Het was voor de familie Jorna een harde slag, te meer, omdat ook mevrouw Jorna reeds jaren sukkelde. De zoon studeerde in Groningen, zodat de vrouw alleen overbleef in het tamelijk grote huis.

Jorna had meermalen met zijn vrouw over de evangelist Jansen gesproken, en zij had hem ook enige malen leren kennen, als er een samenkomst in haar woning was. Mevrouw Jorna had heel verwonderd opgezien, toen haar man haar vertelde, dat hij tot de overtuiging gekomen was, dat de Sabbat, de zevende dag van de week, de ware Bijbelse rustdag is en dat hij deze voortaan ook vieren zou. Zijzelf had geen bepaalde overtuiging en wilde haar man ook niet hinderen, maar zijzelf voelde er niets voor.

De familie Jorna behoorde tot de niet-kerkelijken, zij waren bij geen kerkgenootschap aangesloten, zodat ze ook geen contact hadden met een van de predikanten in de stad. Daarom lag het voor de hand, dat er een boodschap naar Jansen gezonden werd met het verzoek de begrafenis met een geestelijk woord te willen leiden.

Voor Jansen was dit een bijzonder geval. De heer Jorna was immers gepensioneerd luitenant-kolonel en was bovendien met verschillende ridderorden vereerd; daarom zou dit een heel bijzondere begrafenis zijn. Hij zou daar ongetwijfeld met een hoog publiek samenkomen. Hij kon echter het verzoek niet afwijzen.

De begrafenis

De begrafenis vond plaats op vrijdagmorgen. De kist was met de Nederlandse vlag bedekt. Een groot aantal dames en heren waren samengekomen in de aula. Onder hen bevond zich de minister van defensie. Twee auto's, geheel bedolven onder bloemen, gingen aan de baar vooraf. Een paar heren, ook ridders, droegen de onderscheidingstekenen van de overledene. Het was een lange stoet en op het kerkhof was een grote menigte mensen samengestroomd, want de heer Jorna was een geliefde vriend en mens geweest.

Nadat in de aula het Largo van Händel gespeeld was, begaf Jansen zich naar voren en sprak de familieleden en vrienden toe. Hij gaf een korte beschrijving van het leven van de overledene, die hij had leren kennen als een plichtsgetrouw, eerlijk en oprecht christen. Maar Jansen voelde, dat hij behalve een algemene grafrede hier de gelegenheid had tot dit buitengewoon gezelschap een boodschap te brengen, waarvan ze wellicht nog niet gehoord hadden. Hij sprak dan over het smartelijk verlies en de kortstondigheid van het leven, maar ook van de hoop, die is weggelegd voor allen, die in Christus Jezus geloven.

“Die hoop,” zo ging Jansen verder, “bestaat niet daarin, dat de ziel bij de dood naar de hemel gaat, maar in de wederkomst des Heren, wanneer de doden uit hun graven zullen worden opgewekt. Er ligt voor de gelovigen een grote troost in de woorden van Christus, die Hij bij Zijn afscheid sprak: “Uw hart worde niet ontroerd, gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zou Ik het u gezegd hebben, Ik ga heen om u plaats te bereiden; En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” De doden, ook uw man en vader en ons aller vriend, slapen in het graf, tot aan de morgen van de opstanding, en de stem van Christus hen opwekken zal. Dit heeft Christus duidelijk gepredikt, toen Hij zei: “Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan; wie het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en wie het kwade gedaan hebben tot de opstanding des oordeels.” Joh. 5:28-29.

Daarom is de wederkomst van Christus van zo'n groot belang. De boodschap van de spoedige wederkomst van Christus is voor de gelovige een blijde, hoopvolle boodschap. Dan immers zullen de graven geopend worden van diegenen, die in Hem ontslapen zijn om het eeuwige leven deelachtig te worden. Dan zal er een weerzien plaats vinden, om nimmer te scheiden. Daarom zegt de apostel Paulus: “Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.”

Nadat enkele heren nog woorden hadden gesproken over de overledene, woorden van waardering en achting, was de plechtigheid met een kort gebed van de evangelist beëindigd.

Na de begrafenis sprak mevrouw Dishoek tot Jansen: “Nu de heer Jorna er niet meer is, stel ik voor, dat we onze Bijbeluren weer regelmatig bij mij thuis houden, als u het goedvindt.” “Natuurlijk doe ik het graag, en dank u voor uw vriendelijk aanbod,” antwoordde Jansen.

Bijbelstudie

Op het afgesproken uur kwam het gezelschap, bestaande uit de heer van Harden, Jennings, Yvonne en haar moeder weer bijeen. Jennings had een vriend meegebracht, die ook bij de begrafenis was geweest en die door de eenvoudige toespraak van Jansen getroffen was en de wens had eens met de evangelist nader kennis te maken. Jennings had hem daarna uitgenodigd de Bijbelbespreking bij te wonen. “Je zult er geen spijt van hebben,” zei hij, “we hebben al heel veel geleerd, dingen die ons totaal onbekend waren, hoewel ze in de Bijbel te vinden zijn. De man bewijst alles, wat hij zegt, met de Bijbel.” “Ik ben zo vrij geweest een vriend mee te brengen en hoop, dat u daar niets op tegen hebt, mevrouw,” zei Jennings. “Dit is de heer Groothans. Hij zou graag onze Bijbeluurtjes willen bijwonen.”

    “Wij heten u hartelijk welkom, meneer. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd, zegt immers het spreekwoord,” antwoordde de huisvrouw. Na het gebruikelijke openingsgebed was het de heer Jennings, die het woord vroeg.

    “Ik vond de begrafenis van ons aller vriend Jorna een heel bijzondere aangelegenheid,” zo begon hij. “Het meest heeft mij uw toespraak getroffen, meneer Jansen, want u heeft daar dingen gezegd, die ik tevoren nooit gehoord heb. Ook mijn vriend Groothans was door deze uitspraken getroffen en dat is de reden, waarom ook hij nader kennis met u wil maken. U zei, dat de ziel van de mens na de dood niet naar de hemel gaat, maar dat de doden rusten in het graf, totdat Jezus wederkomt. Dat was voor ons een heel nieuwe gedachte en lijkt mij in tegenstelling met hetgeen men gewoonlijk in onze kerken hoort. Misschien kunt u ons hierover meer vertellen?”

    “Jennings is mij voor,” zei van Harden, “ook ik had u daarnaar willen vragen. U heeft ons nu al zoveel nieuwe dingen verteld. Het lijkt me toe, dat u een geheel andere Bijbel hebt, en toch weet ik, dat dát niet waar is, omdat we alles, wat we van u gehoord hebben,in onze eigen Bijbel terug kunnen vinden.”

    De onsterfelijke ziel

    “Voor mij was de gedachte aan een onsterfelijke ziel van de mens altijd een probleem, waar ik ook niet uit kon komen,” zei Yvonne. “Toen vader gestorven was, zei de dominee, die de begrafenistoespraak hield, dat we niet treurig behoefden te zijn, want onze vader was in de hemel. Maar voor mij is dit toch altijd een duistere zaak geweest. Hoe stelt men zich dat voor?” Bij deze woorden zag mevrouw Dishoek haar dochter met een weinig verbazing aan. “Waarom heb je daar nooit met mij over gesproken,” zei ze. “Och, ik wilde u niet verontrusten, u geloofde immers ook, dat papa nu bij Jezus is?” “Ja, dat heb ik tot nu toe geloofd, maar misschien is het toch zoals' Jansen het ons vertelde, want hij beroept zich tenslotte op hetgeen de Bijbel erover zegt,” zei mevrouw Dishoek.

    Jansen, die zich op dit gesprek voorbereid had, wel wetende, dat hij commentaar krijgen zou op hetgeen hij bij de begrafenis had gezegd, nam zijn Bijbel en begon te zeggen: “Het is een bekende zaak, dat bijna alle mensen geloven in de onsterfelijkheid van de ziel. Dit leren zelfs de heidense godsdiensten. Eigenlijk is het zo, dat deze leer ontsproten is aan het heidendom, het was vooral de Griekse wijsgeer Plato, die hierin een grote rol speelde. Maar het is eveneens een feit, dat de inzichten en opvattingen van de theologen en geleerden op dit punt zeer uiteenlopen, ja soms zelfs tegenstrijdig zijn.

    Daarom willen we van alle menselijke meningen afzien en ons uitsluitend tot de Bijbel wenden als het woord van de waarheid. Stellen we ons dus eerst de vraag: Heeft de mens een onsterfelijke ziel? Het woord “onsterfelijkheid”, wordt in de hele Bijbel slechts twee keer genoemd, en wel alleen in het Nieuwe Testament. We vinden het in 1 Tim. 6:15-16.” “Welke te zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Here, de Koning der Koningen en Here der Heren, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, welke geen mens gezien heeft, noch zien kan, welke zij eer en eeuwige kracht. Amen.” “Uit deze woorden blijkt, dat Paulus geloofde, dat God alleen onsterfelijkheid bezit. Wanneer God alleen de onsterfelijkheid bezit, dan is er niemand meer die zulks bezit. Er is in deze tekst in elk geval geen sprake van een onsterfelijke ziel van de mens.

    De tweede tekst vinden we in 1 Kor. 15:53.” “Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.” “Letten we op het woord “aandoen”. Als de mens onsterfelijkheid aandoen moet, is daarmee dus bewezen, dat hij het niet van nature bezit. Wat de apostel bedoelt, blijkt uit de volgende verzen: “Ziet, ik zeg u een verborgenheid, wij zullen wel niet allen ontslapen, maar we zullen allen veranderd worden in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin, want de bazuin zal slaan en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.”

    Het blijkt, dus dat de onsterfelijkheid van de mensen eerst geschonken wordt bij het slaan van de laatste bazuin, en na de opstanding uit de doden. De leer van een natuurlijke onsterfelijkheid van de ziel is zo oud als het mensdom zelf. Het was de eerste leugen, die Satan de mensen op de mouw spelde.Toen hij tot Eva sprak: “Gijlieden zult de dood niet sterven”, loog hij. Want vergeten we niet, dat God gezegd had: “Ten dage als gij daarvan eet, zult gij sterven.” Beschouw eens het Bijbelse bericht van de schepping van de mens. “En de Here God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.”

    De opbouw van de mens

    Er staat dus niet “alzo ontving de mens een levende onsterfelijke ziel.” De mens werd geschapen uit het stof van de aarde. Toen werd hem de adem des levens ingeblazen. En alzo, d.w.z. door de verbinding van stof en adem of geest werd de mens een levende ziel. De mens ontving dus bij de schepping twee delen, stof en geest. De verbinding van die twee vormt de bestaansmogelijkheid van het bewustzijn van het leven en maakte hem tot een levende ziel.

    Wat geschiedt er bij de dood? Dit lezen we in Psalm 146:4. “Zijn ('s mensen) geest gaat uit, hij keert weder tot de aarde, te dien dage vergaan zijn aanslagen.” De wijze prediker Salomo schreef: “En dat het stof wederom tot de aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.” Pred. 12:7. Citeren we nog hetgeen in het boek Job gezegd wordt: “Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan! Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus.” Job. 27:2-3.

    Uit al deze uitspraken stellen we vast, dat bij de dood het tegenovergestelde plaats vindt als bij de schepping. Zouden we om technisch te denken, kunnen zeggen, dat de schepping de montage en de dood de demontage van de mensen is. Bij de schepping ontving de mens twee delen. En bij de dood kan hij derhalve ook slechts twee delen afgeven, nl. stof en geest. Datgene wat door de verbinding van die twee tot stand kwam, het bewuste leven, heeft opgehouden.

    Hier is nog een woord van Salomo: “Want wat de kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook de beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid. Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof. Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?” Pred. 3:19-21.”

    De ziel

    “Maar, meneer Jansen, wat is er dan met de ziel van de mens?” vroeg Jennings. “De Bijbel spreekt toch heel vaak over de ziel,” merkte mevrouw Dishoek op. “Dat is ongetwijfeld waar, maar ik zie alreeds, dat het woordje “ziel” verschillende betekenissen heeft.” “U las toch zoëven, dat de geest tot God keert, is de geest en ziel niet hetzelfde?” vroeg van Harden.

    “Als de geest of de ziel, het bewuste leven van de mens zou zijn, of als de onsterfelijkheid belichaamd zou wezen, dan moesten we aannemen, dat de mens niet alleen een voortbestaan heeft, maar dat hij ook een vóórbestaan heeft. Want de geest, die hij bij de schepping ontving, bestond reeds, voordat hij geschapen werd. De geest werd hem immers gegeven, nadat hij uit het stof gemaakt was.

    Over de betekenis van het woord “ziel” willen we enkele teksten lezen. Dan komen we tot de vaststelling, dat ook de dieren zielen genoemd worden. “En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.” Gen. 7:15 “En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf de geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van alle kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens. Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles was op het droge was, is gestorven.” Gen. 7: 21-22 “Maar aan alle gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.” Gen. 1 :30

    “In al deze teksten worden dus de dieren een levende geest of ziel toegekend, precies zoals de mens. Deze gedachte loopt door de gehele Bijbel, want in het laatste boek de Openbaring lezen we dan nog: “Alle levende ziel in de zee is gestorven.” Openb. 16:3.

    Het Hebreeuwse woord voor “ziel” is in de grondtekst van het Oude Testament “Naephaesch” en in het Nieuwe Testament in het Grieks “Psyche”. Beide woorden worden meestal door “ziel” vertaald. In het Oude Testament treffen we dit woord 753 maal aan en 105 maal in het Nieuwe Testament. Het woord “geest” is in het Oude Testament “Neschamach” of “Ruach”, en in het Nieuwe Testament “Pneuma”. U ziet het zijn twee geheel verschillende woorden. In de verschillende vertalingen vinden we, dat deze woorden dikwijls vertaald zijn door: lichaam, leven, hart, bloed, gemoed, wind, wil, adem, enz. Maar nergens worden ze in verbinding gebracht met de gedachte van een natuurlijke onsterfelijkheid.”

    “Zou dan bij het sterven alles uit zijn? Dan hebben de ongelovigen gelijk, als ze zeggen “dood is dood”, merkte Jennings op. “Dat kan ik toch moeilijk geloven,” zei de heer van Harden. “Dat zou ons christelijk geloof helemaal omver werpen.”

    De slaap tot de opstanding

    “Als we gezien hebben, dat de mens geen onsterfelijkheid bezit, wil dat niet zeggen, dat dood dood is en er verder niets meer zou zijn. Het tegendeel is waar. De Bijbel leert, dat de dood een slaap is, waaruit de mens weer opgewekt wordt, en daarna, wanneer hij gered is door Christus, het eeuwige leven ontvangt. Maar tot op dat ogenblik is er geen bewustzijn of leven. Als men in het graf is, weet men niets.” “Want de levenden weten, dat ze sterven zullen, maar de doden weten niet met al hun gedachtenis is vergeten.” Pred. 9:5. “Doch broeders, ik wil niet, dat gij ontwetend zijt van degenen, die ontslapen zijn.” 1 Thess. 4:13 “Dat was ook het geloof van Jezus Christus. Hij verklaarde: “Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in welke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, en zullen uitgaan. Wie het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens en wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding des oordeels.” Joh. 5: 28-29

    De hoop van de gelovigen op een leven in onsterfelijkheid ligt daarom niet in het dadelijk naar de hemel gaan, maar in het geloof aan de opstanding van de doden. De mens, die van natuur sterfelijk is, kan alleen de onsterfelijkheid ontvangen door Jezus Christus. “Wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.” Joh. 3:36 “Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die de dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het evangelie.” 2 Tim. 1:10 “En dit is het getuigenis, namelijk, dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft, en ditzelve leven is in Zijn Zoon. Die de Zoon heeft, die heeft het leven, die de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.” 1 Joh. 5:11-12

    Het eeuwige leven wordt de mensen geschonken bij de wederkomst van Christus. Zou de mens een aangeboren onsterfelijkheid bezitten, behoefde Christus niet weder te komen. Bovendien zouden Zijn lijden en sterven helemaal overbodig geweest zijn. Maar juist omdat de zonde, de prikkel des doods, de mensheid aan de vergankelijkheid heeft onderworpen, moest Christus komen om door het offer van Zijn bloed, een verlossing teweeg te brengen en een weg om te ontkomen, openen, opdat, verlost van de macht des doods, de mens weer het eeuwige leven, waartoe hij geschapen werd, weer zou kunnen deelachtig worden.”

    “U gelooft dus,” zei van Harden, “dat de doden weer uit hun graven zullen opstaan. Maar hoe kan dat, als we bedenken dat sommigen, zelfs velen b.v. in de zee begraven zijn, waar ze ongetwijfeld door de vissen verslonden zijn? Of hoe zou dit kunnen, met de vele doden, die op hun kerkhoven lagen en die kerkhoven werden opgeruimd. Ze zijn niet meer?”

    “Nu, ook daarop geeft de Bijbel een antwoord.” “Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is. En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van enig der andere granen. Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam. … Alzo zal de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid. …een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam wordt opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam en er is een geestelijk lichaam.” 1 Kor. 15:36-44. “Het lichaam, dat begraven wordt, zal niet opstaan, maar een nieuw lichaam. De opstanding van de doden is niet een herstelling maar een vernieuwing.”

    Tot nadenken gezet

    “Ik sta werkelijk verbaasd over deze uitlegging,” zei de heer Jennings, “maar ik ben er u toch dankbaar voor. Ik heb nu een heel andere kijk op dit probleem.” “Het is ook voor mij een verlossende wetenschap,” zei mevrouw Dishoek. “Want hoewel mijn man gelovig gestorven is, zo weet ik toch, dat hij nog vele fouten en gebreken had. De gedachten, hoe het hem na de dood zou gaan, heeft mij dikwijls bezig gehouden. Nu weet ik, dat hij rust tot aan de dag der opstanding.”

    “De Schrift zegt: “Zalig zijn de doden, die in de Here sterven, van nu aan…” Hoewel dit betrekking heeft op een bepaalde klasse, zoals ik u later hoop aan te tonen, zo is het toch een troostwoord voor allen, die in het geloof aan Jezus Christus, sterven.Christus maakte door Zijn leven en sterven, Zijn gerechtigheid, die voor God geldt, geldend voor allen, die Hem in het geloof aanvaarden als de Verlosser en Zaligmaker. Hij schenkt hun door genade het eeuwige leven.”

Bij het uiteen gaan waren allen vervuld van hetgeen ze gehoord hadden. Alleen Yvonne was nog niet helemaal overtuigd.Het was vooral hetgeen haar spiritistische kennissen haar verteld hadden, dat haar in de weg stond de uitspraken van de Bijbel zonder meer te aanvaarden. Zij nam zich voor, zelf de Bijbel te bestuderen, omdat ze meende, er waren toch gegevens, die de onsterfelijkheid en het voortleven na de dood bewezen. Zij stelde zich in verbinding met haar vriend, van wie ze wist, dat hij de Bijbel kende en toch spiritist was.

De heer Groothans had tijdens het gesprek niet het woord genomen, maar toen men afscheid nam en hij samen met Jennings huiswaarts ging, zei hij: “Ik moet u zeggen, die Jansen heeft wel een goede Bijbelkennis. En ik vind het zeer logisch, wat hij vertelde over de toestand van de doden. Want alles, wat ik daarover gehoord heb, was voor mij te onwaarschijnlijk en in het geheel niet bewezen. Ik ben blij, dat ik dit alles gehoord heb en wil graag deze Bijbelbespreking verder bijwonen.”

Adresgegevens

Gemeente van Zevende Dags Adventisten Reformatiebeweging

Zendingshuis Rehoboth
Middachterlaan 2
6955 JC Ellecom, NL

tel. +31 (0)313416222
werkdagen tussen 9:00 en 12:00

Barmhartige Samaritaan