'k zou een gelukkig mens kunnen zijn

De spijsverteringsorganen ontwaakten verschrikt. De mond verlangde naar wat water. De tong was zo dik beslagen, dat de speekselklieren zich er vrolijk over maakten.
Hun vrolijkheid was echter van korte duur, want de tong bestrafte hen, dat zij er geheel leeg uitzagen en zij zich klaar moesten maken, om het ontbijt te kunnen bevochtigen.
De keel en de slokdarm waren ook slecht geluimd, want het slaatje van de vorige avond had hen erg geprikkeld.
De maag voelde met grote bezorgdheid naar verschillende plooien en kuilen en nu bemerkte zij, waarom zij zo weinig rust had gehad. Een portie oud voedsel was daar nog aanwezig en miljoenen kiemen krioelden door elkaar en vermeerderden zich.

    “Dat is verschrikkelijk,” steunde de maag, “wat moet ik ermee doen?” “Goedemorgen,” zei de maagsapklier tot een in de nabijheid van de portier liggende maagklier. “Goedemorgen,” antwoordde de ander en beide maakten zich voor hun dagelijks werk gereed.
    “Ik wilde, dat onze arme maag vandaag niet zo veel te doen heeft als gisteren,” zei de maagsapklier. “Zij was gisterenavond zo uitgeput, toen zij het laatste voedsel aan de portier overgaf,” zei de maagklier, “dat zij onmogelijk verder had kunnen werken.” “En het ergste is, dat hier nu nog een onverteerbare massa ligt, die de portier niet doorlaat. De gehele nacht heeft het hier gelegen. De verschrikkelijke bacteriën zwerven er over en worden vet en gelukkig. Ik had gehoopt, dat we ze konden laten verhongeren, maar daar ziet het er op het ogenblik niet naar uit.”

    “Dat komt van het slaatje en van de koffie met koek, die gisteravond naar beneden kwam, juist toen we alles klaar hadden voor de nacht,” zei de andere klier. “Ik geloof, dat de mond niet goed doet. Hij wist heel goed, dat de maag de gehele dag geen ogenblik rust gehad heeft. Hij had wat voorzichtiger moeten zijn.”

    “Maar mijn lief kind,” zei de eerste, “dat kon de mond niet helpen. Hij moet doen, wat de mens zegt, en je weet, dat hij menigmaal een ware tiran is.”

    “De mens moet een zeldzaam wezen zijn”, antwoordde de maagklier, “dat hij op zo'n manier tegen de natuurwetten kan handelen.”

    “Zeldzaam!” riep de maagklier uit, “ik geloof, hij verstaat in 't geheel niets van zulke wetten.”

    “Waarom denk je dat?” vroeg de ander, terwijl zij van opwinding meerdere droppels maagsap afscheidde. Eer deze vraag beantwoord kon worden, namen zij een snelle beweging waar in de niet veraf gelegen slokdarm en zeer hete koffie kwam in de maag gevloeid; dadelijk daarop volgden grote stukken half gekauwd vlees met peper en mosterd, gebakken aardappels en een broodje. De maag steunde en maakte slechts zwakke bewegingen. “Bestaat er een beter bewijs voor het onverstand der mensen? vroeg de maagsapklier, die reeds enige droppels sap op de nieuwe toevoer goot, “hij zou nooit zo handelen, wanneer hij iets van de gezondheidswetten wist. Nu moeten we nog harder werken, anders blijft dit alles hier de gehele dag liggen.”

    De maag, van de schrik bekomen, verlangde naar hulp van het maagsap, dat dadelijk bereid was om te helpen door met ontelbare nietige droppeltjes het voedsel te bevochtigen.

    Spoedig ontstond een voortdurende vloed van verteringssap, die het voedsel omhulde, terwijl de maagspieren zich samen begonnen te trekken en het gehele ontbijt om te keren en dooreen te mengen. Zo wonderbaar zijn de natuurlijke hulpbronnen en de maag pakt haar werk zo krachtdadig aan, dat dit ontbijt verteerd had kunnen worden, als de mens niet juist zo dorstig was geweest.

    De mond, keel en slokdarm waren door de scherpe kruiden zo geprikkeld geworden, dat zij naar water verlangden en toen de maag juist haar werk begon, kwam er een vloed koud water naar beneden gelopen, waardoor de kleine klieren alle werk staakten. Zij waren door de koude geheel stijf geworden, en het duurde een gehele tijd voor zij van de schrik bekomen waren en opnieuw aan het werk gingen. Maar langzamerhand verscheen het maagsap weer en de spieren begonnen weer te werken en het verteringsproces werd weer voortgezet. De maag voelde zich onbehaaglijk zwaar. Nadat zij haar inhoud voorzichtig omgeworpen had, zond zij door gas een boodschap naar de mond, dat de gisting reeds begonnen was. De maag wist heel goed, dat de mond evenals zij geen vrije wil van handelen had, maar kon hij dan deze dag zijn lippen niet eens voor nieuwe toevoer sluiten? Dat zou voor het welzijn van de mens gunstiger zijn, want de voorraad was groot genoeg.

    De mond en de tong antwoordden, dat zij dezelfde mening waren toegedaan, en zij wilden alles doen om haar wens in vervulling te doen gaan, maar ook zij kenden geen middel om zich tegen de wil van de mens te verzetten, bovendien - hier werden hun bemerkingen onderbroken, daar er een sigaar tussen de lippen gestoken werd. De maag voelde pijn, maar zij verdroeg het, daar zij wel wist, dat de mens haar dan nog een pil of poeder toezenden zou en zij verlangde naar rust.

    Zij wendde zich weer tot haar vele kleine helpers. Door hen werd zij nooit teleurgesteld en ze werkten allen met alle macht aan het grove voedsel.

    “Het is in één woord geweldig,” merkte de bij de portier liggende klier op, “hoe hard de maagsap- klieren werken. Ze zetten hun leven voor de mens op het spel, en hij geeft zich niet de geringste moeite, hun opoffering te verlichten.”

    “Ik ben bang,” zei de maagsapklier, “dat we niet eerst weer op verhaal kunnen komen, eer het middagmaal naar beneden komt; ik heb reeds al het bereide maagsap afgegeven en kan zo vlug geen ander klaarmaken.

    Met de arme maag heb ik medelijden; zij geeft aan de darm niet graag voedsel af, dat niet goed bewerkt is.” “Ja,” riep de ander uit, “ik wil de mens mijn mening wel eens zeggen. Ik ben maar een kleine onwetende maagklier, maar ik ben mij bewust, dat ik steeds tracht, juist te handelen. Het valt de mens in 't geheel niet op of hij heeft het nog nooit gehoord, dat het een groot onderscheid is, wàt hij eet en wannéér hij eet. Om ons bekommert hij zich in het geheel niet.”

De kleine geduldige klier werd deze dag niet veel meer tijd gelaten tot verdere gedachtewisseling. Het ijskoude bier maakt iedere cel van het verteringsorgaan huiverig. De tafel van de mens was overvloedig gedekt met veel versnaperingen. Is het nu een wonder, dat de mens ziek wordt?

De maag, die de mens vele jaren trouw gediend had, hoorde de mens zeggen: “Ik heb een ontzettend slechte maag. Als dat niet zo was, zou ik een gelukkig mens zijn.”

    Een uitspraak van Edison.

    Edison, de grote uitvinder, heeft de volgende verklaring gegeven van het geheim van zijn grote werkkracht:“Ik blijf gezond door regeling van mijn voeding; de mensen eten te veel en drinken te veel; eten is bij nagenoeg iedereen een sleur geworden. Het is er mee als met morfine - hoe meer men neemt, des te groter wordt de behoefte. De mensen stoppen zich vol met overdadig voedsel; ze slijten er hun tijd mee, bederven hun spijsvertering en vergiftigen zichzelf. Ik eet bijna niets. Het kan mij weinig schelen of ik eet of niet; ik doe het niet uit plezier.
    Als de dokters ‘diëethouden’ voorschrijven in plaats van medicijnen, dan zouden de kwalen van de normale mensen verdwijnen. Voedingsbeperking is het geheim van mijn gezondheid. Ik heb altijd matig geleefd.”

Adresgegevens

Gemeente van Zevende Dags Adventisten Reformatiebeweging

Zendingshuis Rehoboth
Middachterlaan 2
6955 JC Ellecom, NL

tel. +31 (0)313416222
werkdagen tussen 9:00 en 12:00

Barmhartige Samaritaan